rachid laachir /  kinshasa 2010

 

 

De grond, de bodem, het zand, de klei. Dingen die onder mij zijn. De bodem als iets dat groeit, de bodem als iets waaruit groeit, waaruit bomen steken, waarin wortels zijn. Mijn hoofd als de bodem. Mijn huid als iets dat groeit en waaruit groeit. Waar haren als bomen zijn en wortels als wortels. De bodem als de huid, met lagen, nooit dicht, met adem en poreusiteit. Alle gelijkenissen tussen bodem en huid maken mij niet een met hem, ik kom nooit uit hem. Dat wat mijn bodem is, is dat waaruit ik ben gegroeid, als berg, als boom. Dat wat mijn bodem is, is mijn moeder. Uit haar ben ik, door haar ben ik. Eerst als wortel onder de lagen van haar huid, later als boom scheurde ik uit. Mijn kruin ritselde uit haar, tussen de platen van haar huid. Mijn vader sneed mijn wortel door, uit wens dat ik ook zijn boom zou zijn. Ontworteld en niet meer de boom van mijn moeder en nooit de boom van mijn vader. Ik leer wortels maken van dat wat geen wortels zijn. Ik zoek bodem en probeer het zelf te zijn. Mijn handen, mijn voeten, mijn tong, mijn geslacht denk ik als wortel te gebruiken, wanneer zij enkel de takken zijn van een boom die ik niet meer ben. Takken van een ontwortelde boom die niet meer groeien. Ik hou vol, maak van anderen een bodem. Graaf mijn gespeelde wortels in en om, wroet en draai ze maar zij kiemen niet, schieten niet meer wortels, zij zijn volgroeid en sterven langzaam af. Zoals ik doe dat mijn lichaam wortels heeft, zo ook probeer ik van dit lijf een bodem te maken. Mijn mond, mijn oren, mijn neus, mijn holtes. Hier graven anderen hun  verzonnen wortels in en ik voel dat al deze wortels vreemde takken zijn, en waar zij zich niet zetten en geen houvast vinden, ontdek ik dat mijn lijf ook geen bodem is. Mijn holtes sterven reeds, drogen als bodem uit. Ik zoek iets groter in dit lijf, iets wat onsterfelijk is, iets wat nooit volgroeit of uitdroogt, iets wat oneindig deint, golft zichzelf verder uit en stroomt weer in zichzelf, hier is mijn ziel. Misschien een wortel, een echte. Misschien een bodem, een echte. Als wortel in iemand kan hij eeuwig kiemen, een boom worden, vruchten, dragen, drachten, bloesemen, knoppen, ritselen, zinderend kan mijn zielewortel zijn. Mijn ziel kan ook de bodem zijn, waarin een andere zielewortel kan floreren, struiken, oogsten, werpen, bloeien, loven, zwaaien, knarsen, nestelen, vruchtbaar kan mijn zielebodem zijn.

 

 

 

Ik ben de wortel

ik ben de bodem

ik was de boom

 

 

 

 

 

De bodem die zowel eindigheid als eeuwigheid suggereert. Hij is een oppervlak maar 'oppervlak' draagt in zich dat het enkel aan de bovenkant, buitenkant zit. Dit verraad de aanwezigheid van alles wat binnen is, het verraad de lagen en meer daar onder. Alles onder en binnen is ongekend, dat wat ik niet weet is oneindig. Alles boven en buiten is gekend, dat wat ik weet is eindig.

De bodem die verteerd is, afbreekt, wortels ontbloot, water dat slijt, de bodem die naast mij barst, scheuren vertoont, oplost in water doet me beseffen dat hij poreus is. Valt uiteen tot modder laat zich meevoeren tot een andere bodem waarin ik zink, sluit mijn enkels in, kruipt tussen mijn tenen, probeert mij als boom op te nemen. In het vooruitzicht van een boom te worden voor deze aarde, trek ik angstig terug. Mijn positie als voorhene boom is duidelijk nu. Mijn ziel als wortel en als bodem is genoeg. Dit opslorpen door aarde die nooit mijn bodem was maakt me bang, doet denken aan verstikking en dat wat oneindig binnen is, omsluit mij in alles wat ik niet weet. De bodem die beweegt en de angst daarvoor, is de angst voor mijn onwetendheid, de bodem betekent nooit dat hij verschuift, mij doet wankelen. De bodem is dat ik geaard ben, houvast heb maar beweeg op hem, hij niet onder mij. De bodem is dat ik gegrond ben, recht heb om er op te zijn, dat mijn aanwezigheid feitelijk is.

De bodem die breekt, scheurt, zijn wortels toont is zoals mijn huid, die zou breken en scheuren, aders tonen, de binnenkant. Ongemak als het zinken van mijn benen, omsluit anderen rondom mij. Alles wat mijn vorm bepaalt betekent alles wat een ander niet is. Ze willen zich terugtrekken uit mij en de angst, de angst dat oppervlak altijd bestaat door binnenkant, dat weten niet bestaat zonder niet weten. Ik leef met alles wat ik weet, alles wat ik niet weet vergeet ik. Ik vergeet alles wat binnen is, ik loop rond als uitgehold persoon. Ik zie de huiden en bodems van anderen rond mij, en ben tevreden te weten, dat alles wat ik zie, dat is wat het is, het oppervlak. Nochtans kijk ik zelf van binnenuit, mijn ogen zijn binnen mijn bodem, samen met alles wat zij registreren. En toch is de wereld die zij zien nooit binnen, of maakt het kijken mij niet bewust van wat binnen mezelf is maar van wat buiten te zien is, dit is vredig, maar nooit compleet. En ik sluit mijn ogen wanneer alle dingen die ik zie, in al hun oppervlakkigheid en de mijne mij te veel zijn, wanneer ik binnen wil zijn. Mijn oppervlakkigheid is hard aanwezig, ik bezit maar zelden een binnen. Ik voel mijn maag enkel wanneer ik honger heb, hij vol is of pijnlijk. En erger nog, hoe sterk mijn oppervlakkigheid ook is, is hij nooit compleet, zoals ik de anderen zie. Ik heb gaten en scheuren van dingen die ik amper voel en nog minder zie. Mijn rug bestaat enkel wanneer hij knelt of leunt. Het jeuken van mijn lijf is een grote bewustmaker van waar mijn vormen zijn, met vingers ga ik overal heen, maar zelfs dan is er een gat dat open blijft, ergens op mijn rug, waar dan een ander al krabbend het gat dicht. De bodem van de aarde waarvan ik zo graag wil dat hij mij gronding en aarding biedt, al die kwaliteiten bezit ik zelf nooit. Al het scheuren dat ik zie, breken steeds het beeld van gronding en aarding. En alle scheuren die ik bezit maken dat alles wat ik van de bodem verwacht ik zelf nooit kan bieden ook al ben ik dan de bodem. Ik besta voornamelijk uit scheuren, gaten en barsten, ben verbaasd wanneer iemand bij mij gronding of aarding vindt. Ik bied nooit vastheid, ik besta meestal uit niets in een wereld waarin alle andere bodems vol zijn. Ik zoek gaten overal, en hoe eng ze ook zijn in al hun ongekende, ik herken ze als mezelf en wil erheen.

 

 

 

Ik ben de open bodem

ik ben de blootgelegde wortel

ik was de boom

 

 

 

De bodem als iets dat bestaat uit contact met andere bodems. Mijn voetzolen bestaan omdat ik altijd op de bodem ben, als ik val dan bestaat alles wat in contact komt met de bodem. Ik heb andere bodems nodig om te bestaan, om mijn gaten te vullen. Maar in mijn gaten en alle leegte die daar bestaat, zit de vrees voor aanraking. De vrees dat iemand binnendringt, in me zakt en alles wat ik over mijn gaten zelf niet weet, deze zal ontdekken. De vrees dat iemand mij langs binnenuit betast, weet waar mijn randen zijn, mijn wortels, mijn kennis, begrijpt hoe eindig en oneindig ik ben. Al deze kennis die kwetsbaar  tussen mijn scheuren ligt en altijd dreigt verloren te gaan. Maar de angst voor de aanraking is minder groot dan de wens daarnaar.  Hij is ook een verlosser, hij geeft aan al mijn dieptes en mijn gaten weer een oppervlak. Helaas is het contact met menselijke bodems onhandig en kan iemand nooit ten aller tijde mijn hele bodem raken, en ik ook faal daarin voor een ander. De omhelzing wordt altijd halverwege  harder, uit angst voor de gaten die nog bestaan, het loslaten is altijd vergezeld door een bries van frisheid die al mijn scheuren passeert. Ik ben me meer bewust van de scheuren die bestaan, maar hoe zwaar die scheuren voor de omhelzing waren, zo licht zijn ze nu. Ik lach om ze en de adem die door hen raast, ik laat alles uit ze vallen en weet niets. Alle oneindigheid die ze zijn, neemt me op en met alles om me heen word ik de hemel. En dan ben ik de bodem te meer, omdat ik nu ook hemel ben. Ik ben alles wat het leven is juist tot aan de kennis dat ik ooit een boom was.

 

 

 

Ik ben de open bodem

ik ben de blootgelegde wortel

ik ben door jouw de hemel

ik was de boom

 

 

 

 

 

De bodem 's nachts, als onbekend, opgemaakt uit schaduw. Wordt een met alles wat hij voortbrengt,  de boom, de struik,  de berg het gras. Alles is afgevlakt in een kleur van hetzelfde oppervlak, in deze kleur verwacht ik het gat te zien, de diepte te vinden in een toon die hetzelfde is, maar het tegendeel toont zich. De kleur van de schaduw is zo intens in alles wat ik zie, dat dingen die vormen zijn en diepte geven, nu afgevlakt zijn. Een monochrome uitsnede van bomen en bergen die in hetzelfde vlak zijn. De muur is massief en ontzagwekkend, wat ver is is dichtbij en wat dicht is ligt open. Dit gevoel is vreemd, ik weet dat ik buiten sta temidden van niets maar voel me binnen, in de bodem. Het geluid is het geluid van activiteit die in het licht aan de bovenkant nooit zo luid is omdat de vorm van oorsprong duidelijk is. In het geluid is de kennis van alles wat binnen is, ondanks de kennis verdeeld is in verscheidene stemmen, is het koor alles wat ik hoor, kloppend. Ik denk aan een echografie waarin al mijn organen afzonderlijk de dingen weten maar zij toch verenigd zijn in een zwermend geluid. Geluid dat normaal, in het duister de illusie van diepte geeft, door zijn manier van reizen, zijn manier van op je af komen. Dit reizen maakt van mij een bestemming en verraad de aanwezigheid van oorsprong. Alles wat ik geleerd heb over geluid, telt niet meer. Het beweegt hier ook in deze donkere ruimte, komt op me af in golven, trekt alles uit elkaar, maakt dat de muur dichtbij en ver weg is tegelijk, maakt de kleur vlak en diep tegelijk. Ik ben een wortel opgenomen door de ondergaande zon. Ik weet hier, binnen, dat alles betekenis heeft in wat ik hoor. Al het geritsel is het bestaan van iets dat ik niet weet. Onmachtig is het om wortel te zijn. Gedoemd om het geluid en al de kennis als water op te zuigen zonder keuze, als deel van een groter organisme. De kennis die ik ontvang is niet aan mij te leren, het is in dienst van de boom wiens wortel ik nu ben, in deze ruis van slecht ontvangst. Wanhopig word ik en kijk even naar boven. Daar is hij dan, de scheur. Ik herken hem en kijk opgelucht naar buiten, tussen de bodem uit, zoals door mijn oogleden. Het is lichter buiten dan hierbinnen, een zachter blauw met in de verte dingen die ik vaag herken. Leeuwen, vissen en kreeften glinsteren hun silhouet voorbij. In het ontdekken van de dingen, ben ik even weer gegrond. Voel ik waar ik sta. Mijn blik schiet de open hemel in, tuimelt langs die vissen langs de herkenning en keert terug. Slaagt door mijn  ogen mijn zenuwen in en ik voel mijn eigen vormen weer. Dit groeien van mezelf tussen bodem en hemel, moet steeds herhaalt. Uit angst te vergeten, uit angst voor het donker en de muur. Misschien kan ik 's nachts vanuit de bodem in de hemel even weer de boom zijn die ik was.

 

 

 

 

Ik ben de opengescheurde aarde

ik ben de blootgelegde wortel

ik ben door jouw de hemel

ik ben de nacht boom

ik was de boom

 

 

 

 

 

 

De bodem in de nacht en de bodem overdag. Alles wat overdag zich op de bodem bevindt, is er in de nacht nog steeds wanneer alles onder de bodem is. De aarde waarvan ik overdag voel dat hij groot is, meegroeit met mijn blik, aan de horizon lichtjes afbuigt maar eeuwig verder gaat, is in de nacht klein. Alles aan oppervlakte wat overdag convex was, is nu concaaf en ik zit temidden al deze holle vormen.  Alle eeuwigheid die de dag suggereert is niet meer binnen deze kom waar ik zit, het is vochtig en drukkend. Het is nochtans in de kom, in het concave dat ik de dingen juister zou zien voor wat ze zijn, ware het niet dat het donker is. De holle tekening is altijd meer echt, dan de bolle. De bolle vormen overdag trekken alles lichtjes uiteen, alles buigt af, en lossen in hun bocht het contact met hun eigen vorm. De holle vorm 's nachts drukt alles tegen elkaar, maakt de vormen precies, laat geen gaten ontstaan in het beeld. In dit duister ligt de kennis van de binnenkant, maar als wortel hierbinnen ben ik blind. Oren, neus en mond is wat ik bezit waarmee ik hier nog iets kan leren. Mijn ledematen zijn me te dierbaar. Tot ik zeker weet dat de donkere wand  echt de wand is en niet een zuigend gat, blijf ik voorzichtig met mijn ledematen. Ik probeer te leren wat de dingen zijn met mijn neus. Ik haal geuren binnen van dingen die geen vorm kunnen vinden in mijn hoofd, die los als geur blijven bestaan. Een herinnering van iets wat ik misschien ooit eerder rook. Ik probeer te leren wat de dingen zijn met mijn mond. Met mijn proeven haal ik smaken binnen uit de lucht, het zoete wat ik denk dat vruchten zijn, het bittere van klei, het zilte van een zee of het zweet van een groot beest. Niets krijgt vorm,  niets is concreet alles een herinnering van mijn tong. Ik probeer te leren wat de dingen zijn met mijn oren. Zij leiden, hun herinneringen zijn talrijk en dat wat ik hoor is alles en overal, zonder mijn ogen zijn mijn oren verloren. Alles wat ik in deze holle vorm probeer te leren, vormt zich enkel als herinnering. En het zien van de herinnering, die nooit vast is en niet bestaat, maakt dat ik zelden realiteit waarneem. De dingen zijn niet langer wat ze zijn maar iets wat ze waren of wat ze zouden kunnen zijn. Als wortel hierbinnen ben ik alleen met de dingen die ik gisteren leerde.

 

 

 

 

Ik ben de opengescheurde aarde

ik ben de blootgelegde wortel

ik ben door jouw de hemel

ik ben de nacht boom

ik ben de wortel die onthoudt

ik was de boom